|
Op 17 december 1977 waren er zo'n 3000 bij zijn 50-jarige organistenjubileum dat hij vierde in de Laurenskerk te
Rotterdam. Meer dan 2000 bezoekers woonden het concert bij dat Asma in 1982 na een lange tijd weer gaf op het
orgel van de Oude kerk te Amsterdam.
Toen Asma zijn eerste kerstconcert gaf in de Bavo te Haarlem (26 december 1970), zat het onverwarmde reusachtige gebouw mudvol. 1500 bezoekers woonde Asma's eerste kerstconcert bij in de Nieuwe kerk te Katwijk aan Zee. Voor Asma-concerten in de Oude kerk te Amsterdam stonden ze per definitie in de rij. Ze kwamen van heinde en ver.
"Op kleine orgels ben ik niet gebouwd", zei hij. "Ik wil zo'n groot ding boven mijn hoofd, geluid dat de kerk in kwakt en weer terugkomt".
Ook Asma begon in het klein. Hij werd op 21 april 1912 geboren in Den Helder. Zijn eerste orgel in de Geref. Kerk in zijn woonplaats had negen stemmen. Asma was toen vijftien jaar oud.
Hij groeide op tussen iso-ritmisch gezongen psalmen in de berijming van 1773. Zes jaar later (1933) vertrok de gereformeerde Asma naar de hervormde Hooglandse of St. Pancraskerk te Leiden, een orgel met 23 stemmen. Misschien begon het hier: Asma's hang naar het groot.
De maandagavondconcerten ( toegang vijftien cent) trokken wekelijks honderden mensen.
Het jeugdkoor bloeide op, de jeugddiensten waren afgeladen vol. Overal en altijd moest Asma spelen.
Van Leiden ging het in 1943 naar Den Haag waar Asma organist werd van de Evangelische Lutherse kerk. Eindelijk een groot orgel!
Op 1 oktober 1965 verhuisde Asma nog eenmaal, nu naar de Grote kerk van Maassluis. Hier vond Asma "de zingende gemeente". Dit orgel van Rudolph Garrels opende Asma's ogen ook voor muziek van oude meesters. Hier gingen Bach, Pachelbel en Buxtehude pas echt voor hem leven: "Toen ik in Maassluis Bach ging spelen, gingen mijn ogen open".
Dat ondervond hij ook als het ging om de op zijn speelwijze gerichte kritieken. Deze waren niet mals. Hij zou orgels vernielen, muziek verwoesten en de kunst vermoorden. Hij werd bewierookt en belauwerd, maar evenzeer uitgescholden en striemend aangevallen. Zijn spel heette grof, wild en teugelloos. Over-legato, slepend pedaal, misbruik van tremulanten zijn nog enkele van de begrippen uit de kritieken. Er werden vieze woorden gebruikt om zijn concerten te stempelen en van de eretitel "romanticus" werd een scheldnaam gemaakt.
Slecht een enkele maal ging Asma openlijk in de verdediging. In zijn Leidse tijd lag hij in de clinch met de theoreticus Leo Mens die in de Pieterskerk de gemeente zijn ijzeren wil oplegde.
Met drs. M. Geering Bakker van de NCRV voerde Asma (1965) vlammende polemieken in Het Orgelblad waarvan Asma hoofdredacteur was.
Onderwerpen waren de 119 gereformeerde gezangen, ontstaan in opdracht van de generale synode van de gereformeerde kerken (in samenwerking met de hervormde muziekcommissie).
De bundel bevatte in Asma's ogen "nonsenses, onzinnig en nodeloos gepruts". Fel trok Asma van leer tegen het liedboek voor de kerken, tegen de toen dreigende ingreep in het orgel van de Oude kerk te Amsterdam. Het was de tijd van Asma contra Lambert Erné en Asma contra de Synodale Orgelcommissie. Het was een tijdvak van polarisatie, geslepen zwaarden en blikkerende messen. Veel hete hoofden en koude harten.
Asma speelde overal. In Serooskerke en in Parijs (Notre Dame en St. Sulpice), in Kampen, in Putten en in Oosthuizen, in de VS en Canada, op het orgel van Maarschalkerweerd in het Concertgebouw te Amsterdam en in de Rotterdamse Doelen.
Op echte orgels en op onechte orgels. In reformatorische kerken en roomse kerken. Als Asma maar spelen kon. En dat deed hij. 250 Concerten per jaar waren gen zeldzaamheid. Het
concertante moeten. Soms avond aan avond.
Asma was ook groot in het repertoire dat hij omvatte. Hij vroeg niet altijd naar muzikaal verantwoorde werken, als het maar klonk.
Hij speelde met veel verve vrijwel alles van Widor en Franck, alles van Mendelssohn, alle grote orgelwerken van Karg-Elert, veel van J.S. Bach en soms Buxtehude of Langlais, bijna op elk concert een koraalwerk van Jan Zwart en Cor Kee of Klaas Bartlema. Zelfs zette Asma enkele Preludes van Rachmaninow op de plaat en zorgde hij voor de orgelpartij in het omstreden Hilversum 3-lied "Mijn Gebed" van D.C. Lewis. Feike Asma bleef wie hij was, muzikant in hart en nieren, en groeide uit tot een verschijnsel, tot een legende die in bijna elke encyclopedie is terug te vinden.
Op kerkmuzikaal terrein heeft Nederland heel wat ontwikkelingen achter de rug. Interessant om achteraf te constateren dat Asma daar een wezenlijk aandeel in heeft gehad. Wat zijn muzikantennatuur hem tientallen jaren geleden al ingaf, wordt nu op veel terreinen, ook bij vroegere tegenstanders, weer gemeengoed. Dat gaat op voor opvattingen over orgelbouw, herwaardering van romantische orgelwerken en een eerlijke kijk op Jan Zwart en diens verdiensten.
Het is nog maar een beperkt denkende enkeling die Asma's waardevolle betekenis voor de Nederlandse orgelhistorie ontkent. In het algemeen hebben we geleerd en ietwat genuanceerder leren denken.
Een groot orgelcomponist was hij niet. Asma zelf daarover in zijn laatste interview: "Ik weet best wat ik kan en wat ik niet kan. Componeren kan ik dus niet. Ja, koraalbewerkingen, maar dat zijn geen composities".
Het zijn deze koraalbewerkingen die het repertoire van deze CD uitmaken ( Te Deum 11 65632), door Asma gespeeld op het Bätz-orgel van de Evang. Luth. Kerk te Den Haag. Het is juist dit zangrijke orgel waarop dit eenvoudige repertoire zo heerlijk gedijt. Een orgel dat echte feeling ontplooit voor de intense geladenheid waarmee Asma met koralen omging.
"Deze dingen komen rechtstreeks uit mijn hart. Dat kun je niemand leren", zei Asma eens. "Koraalmuziek spelen zonder geloof bestaat niet".
Het is juist in deze eigen werken waarin Asma toont dat hij leerling was van Jan Zwart zonder dat hij zijn hele leven een stijlloze copie van zijn leermeester bleef. In deze koraalbewerkingen klinkt de volksmuzikant door, de mededeelzame organist die speelde met de totale inzet van zijn religieuze persoonlijkheid.
"Daarmee treft hij een toon", schrijft Paul Chr. Westering ergens, "die veel concertbezoekers dierbaar is. In de kleine koraalbewerkingen waar velen naar uitzien, is toch zo'n schat van religieus beleven op fijn zinnige wijze vastgelegd".
|